N.B.   Eerst   leeftijd bepalen,   daarna   (eventueel) sexen.

1. Leeftijd aan de hand van de borstveren:

In het jeugdkleed is een wazige blauwgrijze borstband aanwezig, gevormd door fijne blauwgrijze veerrandjes. Deze verdwijnt vanaf september geleidelijk door rui, maar sporen ervan kunnen tot in mei van het 2e kalenderjaar nog zichtbaar zijn.
 

eind mei t/m september:

  • Borst kaneelbruin met blauwgrijze, wazige borstband:   1kj
  • Borst egaal (roest)bruin, gelijk aan de kleur van de buik:   na 1kj

begin oktober tot half mei:

  • Borst kaneelbruin met (sporen van) blauwgrijze, wazige borstband:   1kj, (vanaf 1 jan. 2kj)
  • Borst egaal bruin, gelijk aan de kleur van de buik:   volgroeid, (vanaf 1 jan. na1kj)

 

2. Leeftijd aan de hand van de pootkleur:

mei t/m oktober:

  • poten aan de voorzijde oranje tot koraalrood (poten eenkleurig):   na 1kj
  • poten aan de voorzijde volledig donker (bruin/zwart/grijs):   1kj

Let op: na de broedtijd krijgt een na-1kj vogel ook weer donkere delen op de voorkant van de poten.

 

3. Leeftijd aan de hand van de rui:

IJsvogels hebben 10 handpennen (primaries), 12 (11-14) armpennen (secondaries) en 12 (soms meer) staartpennen (tail-feathers).

  • 1e kalenderjaar / 2e kalenderjaar voorjaar:   Jonge (1kj) vogels hebben in hun eerste herfst geen slagpenrui. De jeugdrui omvat een groot deel van de lichaamsveren en mogelijk (een deel van) de staartveren. De start van deze jeugdrui is afhankelijk van het tijdstip van geboorte (het broedseizoen is erg lang); bij sommige vogels begint de rui eind juli en kan deze begin oktober reeds afgelopen zijn, andere vogels kunnen in december een nog vrijwel geheel juveniel kleed (jeugdkleed) hebben.
  • na 1e kalenderjaar / na 2e kalenderjaar voorjaar:   De handpenrui van na-1kj vogels verloopt langzaam en gelijktijdig (!) vanuit twee ruicentra (p1 én p7; handpennen genummerd van binnen naar buiten). De armpenrui verloopt eveneens vanuit twee ruicentra (vanuit s10 zowel naar binnen als naar buiten, en vanuit s1 naar binnen; armpennen genummerd van buiten naar binnen). Opmerking: de rui van hand- en armpennen wordt soms (in het late najaar) onderbroken en wordt pas in het volgende ruiseizoen afgemaakt, hetzij voordat de nieuwe normale cyclus start, hetzij gelijktijdig. Vogels met een dergelijke onderbroken rui vertonen een duidelijk verschil tussen de verse geruide pennen en de sterk gesleten ongeruide pennen. Dit verschil blijft in het voorjaar zichtbaar.

 

4. Geslacht aan de hand van de ondersnavel:

Let op: het broedseizoen is erg lang, jongen kunnen van mei t/m augustus uitvliegen. Jongen vliegen uit met een vaak opvallend korte en stompe snavel; de basis van de ondersnavel kan op dat tijdstip bij beide sexen in variabele mate licht (oranjeroze) zijn, meest voor 1/3 deel vanaf de snavelbasis, vaak vlekkerig. In de loop van 1-2 maanden na het uitvliegen volgroeit de snavel en wordt scherp en puntig. De hoeveelheid 'licht' -indien aanwezig- neemt bij de mannetjes af en bij de vrouwtjes toe.
Onderstaande tabel geldt daarom voor volgroeide snavels (criterium: lengte snavelpunt - voorzijde neusgat ten minste 30 mm). De snavel van 1kj vogels is vanaf ongeveer eind september volgroeid.

  • Ondersnavel (in onderaanzicht) zwart, soms met hooguit 1/3 deel vaalrose - bruinoranje aan de basis:   man
  • Ondersnavel (in onderaanzicht) aan de basis tenminste 1/3 deel (vaal)oranje - vleeskleurig rood:   vrouw

 

Opmerkingen.

De IJsvogel is fotogeniek, dus er zijn foto's genoeg beschikbaar, maar studies waar aan de hand van individueel herkenbare vogels kleurveranderingen van poot en snavel worden beschreven zijn voor zover wij weten niet beschikbaar. Dergelijke veranderingen worden in de literatuur wel gesuggereerd plaats te vinden, maar precieze informatie hierover ontbreekt. Meer onderzoek naar dit aspect is zeker nodig. 

 

Dank.

Op verzoek van het Vogeltrekstation maakte mevr. C.M. Liebregts begin 2002 (de eerste versie van) deze tabel. A.J.(André) van Loon heeft deze uitgebreid en in alle stadia bewerkt. B.(Bennie) van den Brink en K.(Kees) Terpstra gaven hun commentaar vanuit de praktijk. G.O.(Guido) Keijl spitte in de literatuur en droeg verbeteringen aan. R.W.R.J.(René) Dekker (Naturalis, Leiden) en C.S.(Kees) Roselaar (Zoölogisch Museum, Amsterdam) toetsten deze tabel aan hun collectie en gaven advies.

 

Bronnen:

  • Arnhem J. & R. Arnhem 1969. Gids voor Ringers met Determinatiesleutels voor Soort, Leeftijd en Geslacht. Brussel, K.B.I.N. ISBN -
  • Baker K. 1993. Identification Guide to European Non-Passerines. Thetford, BTO. ISBN 0-903793-18-0.
  • Cramp S. (ed.) 1985. Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa. Volume 4, Terns to Woodpeckers. Oxford, Oxford University Press. ISBN 0-19-857507-6.
  • Ginn H.B. & D.S. Melville 1983. Moult in Birds. Tring, BTO. ISBN 0-903793-02-4.
  • Glutz von Blotzheim U. & K. Bauer 1980. Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Band 9, Columbiformes. Wiesbaden, Akademische Verlagsgesellschaft. ISBN 3-400-00452-9.
  • Jenni L. & R. Winkler 1994. Moult and Ageing of European Passerines. London, Academic Press. ISBN 0-12-384150-X.