Aziatische Roodborsttapuit - Roodborsttapuit
Bladkoning - Humes Bladkoning
Bonte Vliegvanger - Withalsvliegenvanger
Boomkruiper - Taigaboomkruiper
Boompieper - Siberische Boompieper
Bosrietzanger / Kleine Karekiet - Struikrietzanger
Bosrietzanger / Kleine Karekiet - Veldrietzanger
Bruine Boszanger - Tjiftjaf
Fitis - ondersoorten
Fitis - Noordse Boszanger - Grauwe Fitis - Swinhoes Boszanger
Graspieper - Roodkeelpieper
Grauwe Fitis - Noordse Boszanger - Fitis - Swinhoes Boszanger
Grote Pieper - Mongoolse Pieper
Humes Bladkoning - Bladkoning
Kleine Karekiet / Bosrietzanger - Struikrietzanger
Kleine Karekiet / Bosrietzanger - Veldrietzanger
Kleine Sprinkhaanzanger - Sprinkhaanzanger
Koperwiek - IJslandse Koperwiek
Mongoolse Pieper - Grote Pieper
Nachtegaal - Noordse Nachtegaal
Noordse Boszanger - Fitis - Grauwe Fitis - Swinhoes Boszanger
Noordse Nachtegaal - Nachtegaal
Oeverpieper - Waterpieper
Orpheusspotvogel - Spotvogel
Raddes Boszanger - Tjiftjaf
Rietzanger - Waterrietzanger
Rietzanger - Zwartkoprietzanger
Roodborsttapuit - Aziatische Roodborsttapuit
Roodkeelpieper - Graspieper
Roze Spreeuw - Spreeuw
Siberische Boompieper - Boompieper
Siberische Sprinkhaanzanger - Sprinkhaanzanger
Spotvogel - Orpheusspotvogel
Spreeuw - Roze Spreeuw
Sprinkhaanzanger - Kleine Sprinkhaanzanger
Sprinkhaanzanger - Siberische Sprinkhaanzanger
Struikrietzanger - Bosrietzanger / Kleine Karekiet
Swinhoes Boszanger - Noordse Boszanger - Fitis - Grauwe Fitis
Taigaboomkruiper - Boomkruiper
Tjiftjaf - ondersoorten
Tjiftjaf - Bruine Boszanger
Tjiftjaf - Raddes Boszanger
Veldrietzanger - Bosrietzanger / Kleine Karekiet
Waterpieper - Oeverpieper
Waterrietzanger - Rietzanger
Withalsvliegvanger - Bonte Vliegenvanger
Zwartkoprietzanger - Rietzanger

 

 

 

 

Grote Pieper (A.richardi)   -   Mongoolse Pieper (A.godlewskii)
  1. Achterteen. Grote Pieper: lengte 12.5 - 24.5 mm. Mongoolse: 9 - 13.5 mm.  Bron: Svensson (1992).
  2. Tarsus. Grote Pieper: lengte 28 - 33.5 mm. Mongoolse: 23.5 - 28.5 mm.  Bron: Svensson (1992).
  3. 6e staartpen (t6). Grote Pieper: t5 grotendeels wit m.u.v. uiterste binnenrand en basaal deel van de buitenvlag. Mongoolse: t5 alleen wit aan de top (meestal diagonaal afgezet).  Bron: van Duivendijk (2002).

van Duivendijk (2002): 184;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 75, 76;   Svensson (2000+2001): 244
Birding World 1(8): 268-272, 1988; Birding World 3(11): 375-378, 1990; Dutch Birding 15(5): 198-206, 1993; Dutch Birding 19(4): 189-190, 1997; Dutch Birding 25(1): 44-48, 2003.

 

 

Boompieper (A.trivialis)   -   Siberische Boompieper (A.hodgsoni)
  1. 5e handpen (p5). Boompieper: verschil p5 en vleugeltop: 2-6.5 mm. Siberische: verschil p5 en vleugeltop: 0-1(2) mm.  Bron: Svensson (1992).
  2. Oorstreek. Siberische: geïsoleerde lichte vlek achter oorstreek met daaronder donkere vlek. Boompieper: genoemde vlekken zijn soms als 'zwak' aangeduid.  Bron: van Duivendijk (2002).
  3. Wenkbrauwstreep (wbs). Siberische: opvallende tweekleurige wbs: cremekleurig voor oog, wit achter oog. Wbs loopt verder door dan bij Boom (ca. 2x oogdiameter).  Bron: van Duivendijk (2002).
  4. Tertials (tt). Siberische: groen-bruine tt-rand. Boom: tt-rand lichter, slechts iets lichter of gelijk gekleurd aan de bovendelen.  Bron: van Duivendijk (2002).
  5. Koptekening. Zie Svensson (1992, 2000+2001) en Van Duivendijk (2002) voor meerdere kleine verschillen in koptekening.

van Duivendijk (2002): 186, 185;   Speek (1994): 35;   Svensson (1992): 80, 79;   Svensson (2000+2001): 248

 

 

Graspieper (A.pratensis)   -   Roodkeelpieper (A.cervinus)
  1. 1e kj's in het najaar zijn moeilijk te onderscheiden.  Bron: Svensson (2000+2001).
  2. 5e handpen (p5). Grasp: p5 0-1(2) mm kleiner dan vleugeltop. Roodkeel: p5 1-3(4) mm kleiner dan vleugeltop.  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 186;   Speek (1994): 35;   Svensson (1992): 82, 84;   Svensson (2000+2001): 248, 250

 

 

 

Oeverpieper (A.petrosus)   -   Waterpieper (A.spinoletta)
  1. Verschillen in meetbare (mm, gr) gegevens zijn niet aanwezig, o.a. vleugelformule identiek.
  2. Voor verschillen: zie onderstaande literatuur.

van Duivendijk (2002): 187;   Speek (1994): 35;   Svensson (1992): 87, 85;   Svensson (2000+2001): 246

 

 

Nachtegaal (L.megarhynchos)   -   Noordse Nachtegaal (L.luscinia)
  1. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Nachtegaal: p1 is +1 tot +6 mm (p1 dus langer) (zelden -2 tot +7 mm) dan de langste handpendekveer. Noordse Nachtegaal: p1 is -1 tot -10 mm (p1 dus korter) (zelden tot +1 mm) dan de langste handpendekveer.  Bron: King (1996).
  2. Versmalling van de buitenvlag van handpen 3 en 4 (p3 en p4). Nachtegaal: p3 en p4. Noordse Nachtegaal: alleen p3 versmald.  Bron: Svensson (1992).
  3. Vleugeltop. Nachtegaal: p3 (of p3 = p4). Noordse Nachtegaal: p3.  Bron: Svensson (1992).
  4. 2e handpen (p2) tov 4e handpen (p4). Nachtegaal: -2 tot -8 mm (zelden -1). Noordse Nachtegaal: -2 tot +2 mm (zelden -3).  Bron: King (1996).
  5. 2e handpen (p2) tov andere p. Nachtegaal: p2 = 4/5 or =5 (=5/6). Noordse: p2 = 4 (=3/5).  Bron: Svensson (1992).
  6. Vleugellengte. Nachtegaal (L.m.): 76-86 mm. Noordse Nachtegaal: 81-98 mm.  Bron: King (1996).
  7. Staartlengte. Nachtegaal (L.m.): 58-75 mm. Noordse Nachtegaal: 60-81 mm.  Bron: King (1996).

van Duivendijk (2002): 196, 195;   Speek (1994): 30;   Svensson (1992): 111;   Svensson (2000+2001): 258
Birding World 2(3): 91-94, 1989; Birding World 9(5):179-189, 1996.

 

 

Roodborsttapuit (*)   -   Aziatische Roodborsttapuit (*)
* Vroeger (Speek 1994, Svensson 1992) resp. Saxicola torquata rubicola en S.t.maura.; nu (van Duivendijk 2002, Svensson 2000+2001) resp. S.rubicola en S.maura.
  1. Stuit. Roodborsttapuit: (licht)bruin met donkere vlekken, verbleekt in zomer. Aziatische: ongestreept.  Bron: Svensson (2000+2001).
  2. Verschillen zijn subtiel, raadpleeg de literatuur.

van Duivendijk (2002): 200;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 124;   Svensson (2000+2001): 272
British Birds 94(7): 315-318, 2001; Birding World 14(4): 156-158, 2001; Birding World 5(9): 348-356, 1992.

 

 

 

Koperwiek (T.i.iliacus)   -   IJslandse Koperwiek (T.i.coburni)
  1. Coburni is gemiddeld groter, maar de overlap is aanzienlijk (de grootste gemeten vogel voor iedere sexe was een iliacus, geen coburni). Waarschijnlijk is er ook flink overlap in de maten van tarsus en middenteen, want het aantal gemeten exemplaren is te klein om de volledige spreiding in maten weer te geven. Bovendien is de lengte van staart, snavel, tarsus en middenteen sterk afhankelijk van de meetmethode en varieert sterk van waarnemer tot waarnemer. Kortom, vleugellengte sec is onbruikbaar als determinatiekenmerk voor coburni en de bruikbaarheid van de overige maten is twijfelachtig. Bron: Rooselaar 2006.
  2. Onderscheid moet gezocht worden in de vlekking op de onderzijde, in de flankstreping en de tekening van de onderstaartdekveren. Dergelijk onderscheid is moeizaam zonder direct vergelijksmateriaal te hebben. Maak dus veel foto's van voornoemde delen.

van Duivendijk (2002): 212;   Speek (1994): 114;   Svensson (1992): 153;   Svensson (2000+2001): 274

 

 

 

 

Sprinkhaanzanger (L.naevia)   -   Kleine Sprinkhaanzanger (L.lanceolata)
  1. Notch op 2e handpen (p2). Kleine Sprinkhaanzanger: 6 - 7.5 mm. Sprinkhaanzanger: 8 - 11.5 mm.  Bron: Svensson (1992).
  2. Stuit en bovenstaartdekveren. Bij Kleine Sprinkhaanzanger meestal sterk getekend in tegenstelling tot Sprinkhaanzanger.  Bron: van Duivendijk (2002).
  3. Streping op borst en flank. Bij Kleine Sprinkhaanzanger borst meestal over vrij breed deel scherp gestreept, vaak nog wat sterker op zijborst. Scherpe strepen op flank. Bij Sprinkhaanzanger eventuele streping beperkt tot bovenborst.  Bron: van Duivendijk (2002).
  4. Tertials. Bij Kleine Sprinkhaanzanger zwartachtig centrum met smalle, scherpe en gelijkmatig brede lichte rand; ook op de binnenvlag scherp afgezet. Bij Sprinkhaanzanger met cremekleurige rand en donker centrum; lichte rand verbreedt naar basis.  Bron: van Duivendijk (2002).

van Duivendijk (2002): 215, 214;   Speek (1994): 25-28;   Svensson (1992): 160, 158;   Svensson (2000+2001): 292
Dutch Birding 24(6): 397-398, 2002; Dutch Birding 25(4): 221-234, 2003.

 

 

Sprinkhaanzanger (L.naevia)   -   Siberische Sprinkhaanzanger (L.certhiola)
  1. Onderstaartdekveren. Sprinkhaanzanger: sterk getekend met donkere driehoekige vlekken. Siberische: niet of zwak getekend met duffuus donker centrum.   Bron: van Duivendijk (2002).
  2. Staartpennen onderkant. Sprinkhaanzanger: geen witte eindvlekjes. Siberische: wel witte eindvlekjes (bij afgesleten staart kunnen ze onduidelijk zijn).  Bron: Speek (1994).

van Duivendijk (2002): 215, 214;   Speek (1994): 25-28;   Svensson (1992): 160, 157;   Svensson (2000+2001): 292
Birding World 4(9): 324-326, 1991.

 

 

 

Rietzanger (A.schoenobaenus)  -   Zwartkoprietzanger (A.melanopogon)
  1. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Rietzanger: p1 -1 tot -7 mm. Zwartkoprz: +5 tot +8 mm.  Bron: Svensson (1992).
  2. Lengte verschil binnenste en buitenste staartpen. Rietzanger: 4 - 8 mm. Zwartkoprz: 7 - 12.5 mm.  Bron: Svensson (1992).
  3. Lengte 2e handpen (p2). Rietzanger: 2ndP=3/4 or =4(=4/5). Zwartkoprz: 2ndP=7/9.  Bron: Svensson (1992).
  4. Vleugeltop. Rietzanger: 3(2). Zwartkoprz: 5 4 (3).  Bron: Svensson (1992).
  5. Vleugellengte. Rietzanger: 63 - 72 mm. Zwartkoprz: 52 - 63 mm.  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 219, 220;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 166, 164;   Svensson (2000+2001): 290
Birding World 5(8): 299-303, 1992.

 

 

Rietzanger (A.schoenobaenus)  -   Waterrietzanger (A.paludicola)
  1. Middenkruinstreep. Waterrietzanger heeft scherp begrensde lichte middenkruinstreep. Rietzanger heeft vage lichte middenkruinstreep.  Bron: van Duivendijk (2002).
  2. Mantel. Waterrietzanger heeft twee lichte (geelbeige) banen (bretels) op de mantel. Rietzanger heeft mantel vaag gestreept.  Bron: van Duivendijk (2002).
  3. Teugel en snorstreep. Waterrietzanger heeft vrijwel ongetekende teugel, snorstreep is zwak of afwezig. Rietzanger heeft donkere teugel en snorstreep ("strenge gelaatsuitdrukking").  Bron: van Duivendijk (2002).
  4. Lengte verschil binnenste en buitenste staartpen. Waterrietzanger: 8 - 12 mm. Rietzanger: meestal 4 - 8 mm.  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 219, 220;   Speek (1994): 26;   Svensson (1992): 166, 165;   Svensson (2000+2001): 290
Birding World 4(7): 237-241, 1991.

 

 

 

Bosrietzanger (A.palustris) / Kleine Karekiet (A.scirpaceus)   -   Veldrietzanger (A.agricola)
  1. Vleugellengte (vll).Bosriet: vll 67-74 (1ekj), 68-76 (na 1ekj); Klekar: vll 62-73; Veldrietz: vll 53-62.5  Bron: Svensson (1992).
  2. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Bosriet: p1 +0.5 tot -5 mm. Klekar: p1 +2 tot -4 mm. Veldrietz: p1 0 tot +6 mm.  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 218, 219, 217;   Speek (1994): 29;   Svensson (1992): 169, 171, 167;   Svensson (2000+2001): 296

 

 

Bosrietzanger (A.palustris) / Kleine Karekiet (A.scirpaceus)   -   Struikrietzanger (A.dumetorum)
  1. Vleugellengte. Struikrietzanger 58-65 mm. Bosrietzanger 1e-kj 67-74, na 1e-kj 68-76. Kleine Karekiet 1e-kj 62-73, na 1e-kj 63-72  Bron: Svensson (1992).
  2. Versmalling van de buitenvlag van handpen 4 (p4). Struikrietzanger heeft buitenvlagversmalling op p3 en op p4. Bosrietzanger alleen op p3. Kleine Karekiet op p3 en soms zwak op p4.  Bron: Svensson (1992).
  3. Vleugeltop. Bosrietzanger en Kleine Karekiet alleen p3. Struikrietzanger 3(4)[5].  Bron: Svensson (1992).
  4. Begin van de notch op p2 tov s1 bij dichte vleugel. Bij Struikrietzanger notch p2 kleiner dan s1. Bij Kleine Karekiet notch p2 groter dan s1.  Bron: Svensson (1992).
  5. Wenkbrauwstreep. Bij Struikrietzanger wbs duidelijker dan oogring. Bij Kleine Karekiet oogring duidelijker dan wbs.  Bron: van Duivendijk (2002).

van Duivendijk (2002): 218, 219, 218;   Speek (1994): 26, 29;   Svensson (1992): 169, 171, 168;   Svensson (2000+2001): 296
Birding World 2(9): 318-324, 1989; British Birds 94(5): 236-245, 2001; British Birds 94(5): 291-295, 2001; British Birds 94(5): 439-442, 2001.

 

 

Spotvogel (H.icterina)   -   Orpheusspotvogel (H.polyglotta)
  1. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Spotvogel: p1 3mm korter tot 3 mm langer dan hdv. Orpheus: p1 2.5-8 mm langer dan hdv.  Bron: Svensson (1992).
  2. Vleugellengte. Spotvogel: langer dan 72 mm. Orpheus: korter dan 72 mm.  Bron: Svensson (1992).
  3. Lengte 2e handpen (p2) tov andere handpennen. Spotvogel: p2 langer dan p5 (2nd P=4/5(=4)). Orpheus: p2 korter of even lang als p5 (2nd P=6/7(=5/8))).  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 216, 217;   Speek (1994): 23;   Svensson (1992): 181;   Svensson (2000+2001): 300
Birding World 1(8): 273-277, 1988.

 

 

 

Bladkoning (P.inornatus)   -   Humes Bladkoning (P.humei)
  1. Pootkleur. Bij Humes zwartachtig, soms lichter. Bij Bladkoning meestal licht.  Bron: van Duivendijk (2002).

van Duivendijk (2002): 236;   Speek (1994): 24, -;   Svensson (1992): 207;   Svensson (2000+2001): 310
Birding World 6(11): 439-443, 1993.

 

 

Tjiftjaf (P.c.collybita)   -   ondersoorten (P.c.tristis (Siberische Tjiftjaf) / P.c.abietinus)
  1. Verschillen in afmetingen (vleugel, veer, poot etc) zijn er niet. Vleugelformules identiek. Verschillen zijn er alleen in kleur en meestal moeilijk te onderscheiden vanwege de overlap. Alleen uitersten zijn daarom te onderscheiden.

van Duivendijk (2002): 239;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 213;   Svensson (2000+2001): 306

 

 

Tjiftjaf (P.collybita)   -   Raddes Boszanger (P.schwarzi)
  1. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Raddes: p1 8-14 mm langer dan langer dan hdv. Tjif: p1 4-9 mm langer dan hdv.  Bron: Svensson (1992).
  2. Zie de literatuur voor de verschillen in de koptekening.

van Duivendijk (2002): 236;   Speek (1994): 29;   Svensson (1992): 208;   Svensson (2000+2001): 306
Birding World 3(8): 281-285, 1990

 

 

Tjiftjaf (P.collybita)   -   Bruine Boszanger (P.fuscatus)
  1. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Bruine B.: p1 7.5-13 mm langer dan langer dan hdv. Tjif: p1 4-9 mm langer dan hdv.  Bron: Svensson (1992).
  2. Zie de literatuur voor de verschillen in de koptekening.

van Duivendijk (2002): 237;   Speek (1994): 29;   Svensson (1992): 209;   Svensson (2000+2001): 306
Birding World 3(8): 281-285, 1990

 

 

 

Fitis (P.trochilus)   -   ondersoorten (P.t.acredula / P.t.yakutensis)
  1. Verschillen in afmetingen (vleugel, veer, poot etc) zijn er niet. Vleugelformules identiek. Verschillen zijn er alleen in kleur en meestal moeilijk te onderscheiden vanwege de overlap. Alleen uitersten zijn daarom te onderscheiden.

van Duivendijk (2002): 240;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 216;   Svensson (2000+2001): 304
Dutch Birding 13(2): 67-69, 1991; Dutch Birding 23(4): 211-215, 2001.

 

 

Fitis (P.trochilus)   -   Noordse Boszanger (P.borealis)   -   Grauwe Fitis (P.trochiloides)    -   Swinhoes Boszanger (P.plumbeitarsus)
  1. Moeilijk, leg alle literatuur op tafel, maak uitgebreide beschrijving en veel foto's, haal collega's erbij.
  2. Vleugellengte. Fitis 60-70 (59-72). NoBo 60-72. Grauwe Fitis 54-67. Pas op!  Bron: Svensson (1992).
  3. 1e handpen (p1) tov langste handpendekveer. Fitis: p1 1-8 mm langer. NoBo: p1 2 mm korter tot 3 mm langer. Grauwe Fitis: p1 5-10 mm langer.  Bron: Svensson (1992).
  4. Buitenvlagversmallingen p3 - p6. Fitis en NoBo: p345 wel, p6 niet. Grauwe Fitis en Swinhoes: p3456 wel (p6 soms vaag).  Bron: van Duivendijk (2002).
  5. Lengte 2e handpen (p2) tov andere handpennen. Fitis: 2nd P = 5/6 or =6 (=6/7)[=5]. NoBo: 2nd P = 5/6 or =6 (=6/7). Grauwe Fitis: 2nd P = 7 or 7/8 (=6/7) =8 or =8/9.  Bron: Svensson (1992).
  6. Welke handpen vormt vleugeltip. Fitis: 3(4). NoBo: p3 en p4. Grauwe Fitis: p4, soms met p3. Dus een vogel met alleen p4 is een GrFi.  Bron: Svensson (1992).
  7. Handpenprojectie (hpp).Fitis 80-100%. NoBo 70-90%. Grauwe Fitis 55-65% (meestal korter dan bij Fitis, altijd korter dan bij NoBo). Swinhoes Boszanger 55-65%.  Bron: van Duivendijk (2002).
  8. Wenkbrauwstreep (wbs). Fitis: lang en witachtig. NoBo: relatief smal en niet doorlopend tot op voorhoofd, in breedte vrijwel gelijk blijvend. Grauwe Fitis: lang en witachtig en meestal over voorhoofd doorlopend, boven en achter oog zeer breed. Swinhoes Boszanger: lang en breed achter oog, tussen oog en snavel iets vager, niet over voorhoofd doorlopend.  Bron: van Duivendijk (2002).
  9. Vleugelstreep op grote dekveren. Swinhoes Boszanger heeft vleugelstreep die zowel breed als lang is (tot op de binnenste grote dekveren). Swinhoes en NoBo hebben bovendien een tweede vleugelstreep op de middelste dekveren (NoBo niet altijd) die echter alleen bij Swinhoes ook breed is. NoBo en Grauwe Fitis hebben meestal één smalle en korte vleugelstreep.  Bron: van der Vliet, Kennerley & Small; Dutch Birding 23(4):175-191.

van Duivendijk (2002): 240, 235, 234, 234;   Speek (1994): 24, 23, 24, -;   Svensson (1992): 216, 205, 203, -;   Svensson (2000+2001): 304, 308, 308, 308.
Dutch Birding 23(4): 175-191, 2001.

 

 

Bonte Vliegenvanger (F.hypoleuca)   -   Withalsvliegenvanger (F.albicollis)
  1. Pas op: geen van de onder genoemde drie kenmerken is geheel betrouwbaar. Onderscheid is niet altijd mogelijk.  Bron: Speek (1994).
  2. 5e handpen (p5). Bonte: p5 langer dan p2. Withals: p5 korter dan p2.  Bron: Speek (1994).
  3. 3e en 4e handpen (p3 en p4). Bonte: geen wit aan de basis van de buitenvlag. Withals: wel wit aan de basis van de buitenvlag.  Bron: Speek (1994).
  4. Nekveren. Bonte: niet wit. Withals: hebben wit (soms verborgen).  Bron: Speek (1994).

van Duivendijk (2002): 245, 244;   Speek (1994): 32;   Svensson (1992): 227, 226;   Svensson (2000+2001): 314
Birding World 7(4): 139-151, 1994; Birding World 7(6): 231-240, 1994; Birding World 7(8): 325-334, 1994; Birding World 8(7): 271-277, 1995; Birding World 9(3): 115, 1996; Birding World 13(1): 33-35, 2000.

 

 

Boomkruiper (C.brachydactyla)   -   Taigaboomkruiper (C.familiaris)
  1. Handpen 6, 7 en 8. Boomkruiper: afstand top p6 - p7 minder dan 2x afstand top p7 - p8. Taiga: afstand top p6 - p7 meer dan 2x afstand top p7 - p8.  Bron: Speek (1994).
  2. Nagel achterteen en snavellengte. Boomkruiper: lengte nagel achterteen minder dan (0.14 x snavellengte) + 5.6 mm. Taiga: lengte nagel achterteen meer dan (0.14 x snavellengte) + 5.6 mm.  Bron: Speek (1994).
  3. Buitenvlag 4e handpen (p4). Boomkruiper: lichte vlek midden op de buitenvlag klein of afwezig. Taiga: lichte vlek midden op de buitenvlag duidelijk zichtbaar.  Bron: van Duivendijk (2002), Speek (1994), Svensson 1992).

van Duivendijk (2002): 250;   Speek (1994): 175;   Svensson (1992): 248, 246;   Svensson (2000+2001): 324
Birding World 5(1): 10-16, 1992.

 

 

Spreeuw (S.vulgaris)   -   Roze Spreeuw (S.roseus)
  1. 1e kj's in het najaar zijn lastig te onderscheiden.  Bron: Svensson (1992).
  2. Snavel. Spreeuw: donkere snavel. Roze Spreeuw: snavel stomper en met gele (stro - hoorn kleurig) basis.  Bron: Svensson (1992).
  3. Verenkleed. Spreeuw: donkerder en grijzer dan R.S. Roze Spreeuw: buik-borst vaal bruin-wit, keel en borst zijn het lichtst. Bovendelen tamelijk vaal bruin-grijs.  Bron: Svensson (1992).

van Duivendijk (2002): 261, 262;   Speek (1994): -;   Svensson (1992): 276, 280;   Svensson (2000+2001): 340