LEIDEN (ZH.) 15 augustus 2009 - In Nederland broedende merels blijken in steeds mindere mate in het najaar op trek te gaan naar zuidelijker streken. Onderzoeker Jasper van Vliet en zijn collega′s van de Rijksuniversiteit Leiden maakten gebruik van de gegevens van het Vogeltrekstation om het trekgedrag van de bekende tuinvogel te onderzoeken en publiceerden hun bevindingen in het julinummer van het blad Bird Study. Tussen 1955 en 1990 nam het percentage van de Nederlandse merelpopulatie dat op trek ging af van 30 procent tot nagenoeg nul.

Door uitsluitend merels in de analyse te betrekken die in het broedseizoen -tussen 1 april en 31 augustus- in ons land werden geringd en in de winter - tussen 1 november en 31 maart- werden teruggemeld, konden de onderzoekers er achter komen waar deze vogels overwinterden. Veel merels bleven altijd al het gehele jaar in ons land, maar een klein deel ging op trek. In 1955 bedroeg dat deel zo'n 30% van de populatie. Sindsdien is er een gestage afname zichtbaar van het aantal trekkende merels. In 1990 kwamen vrijwel alle terugmeldingen uit de directe omgeving van de ringplaats.

Tijdens koude winters gingen meer merels op trek dan tijdens warme winters. Ook bleken merels uit stedelijke gebieden minder vaak te trekken dan plattelandsmerels. Tegen het einde van de onderzoeksperiode was dit verschil echter verdwenen; vrijwel alle merels overwinterden toen in hun broedgebied.

De auteurs zien in de klimaatverandering een logische verklaring voor hun resultaten. De winters zijn de laatste jaren steeds milder geworden in ons land en dat betekent dat de merels gemakkelijk hun kostje bij elkaar kunnen scharrelen en niet verder zuidwaarts hoeven te trekken op zoek naar voedsel.

Trek is bij zangvogels voor een belangrijk deel genetisch vastgelegd. Omdat het percentage trekkende merels heel geleidelijk afnam gedurende de onderzoeksperiode denken de auteurs dat er een genetische verandering heeft plaatsgevonden bij de Nederlandse merels. Tegelijkertijd echter bleek de temperatuur in de winter van directe invloed op het trekgedrag, hetgeen suggereert dat de merels daarnaast ook flexibel zijn in hun gedrag en wegtrekken als het echt moet.

doi: 10.1080/00063650902792148