Heteren (GLD.) 13 januari 2010 - Het broedseizoen van 2009 verliep voor in Nederland broedende zangvogels bijzonder gunstig. Dat concluderen onderzoekers van het Vogeltrekstation, onderdeel van het Nederlands Instituut voor Ecologie, en van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Sinds 1994 voeren deze organisaties een gezamenlijk onderzoek uit waarbij door middel van het op gestandaardiseerde wijze vangen en ringen van zangvogels jaarlijks het broedsucces en de overleving van de vogels in kaart worden gebracht. Het goede broedseizoen werd veroorzaakt door een warm voorjaar in combinatie met veel voedsel.

Beste seizoen sinds 1994
Sinds de start van het zogenaande “Constant Effort Sites” (CES) project in 1994 was het broedsucces niet zo hoog als in 2009. Het goede broedseizoen was merkbaar in alle habitats en bij een divers scala aan soorten, met een lichte voorsprong voor vogels van bossen en voor standvogels. Natuurlijk waren er winnaars en verliezers. Mezen deden het zeer goed, en ook soorten zoals winterkoning, roodborst, kleine karekiet en gekraagde roodstaart brachten veel jongen groot. Merel, heggenmus en kneu wisten echter helemaal niet te profiteren van de goede omstandigheden. Het aantal winnaars was in 2009 echter veel groter dan het aantal verliezers: van de 32 meest talrijke zangvogelsoorten was van 26 het broedsucces hoger dan gemiddeld. De resultaten uit het CES worden bevestigd door voorlopige gegevens uit het Nestkaartenproject van SOVON, en door enkele langlopende populatiestudies aan holenbroedende vogels van het Nederlands Instituut voor Ecologie en de Rijksuniversiteit Groningen.

Zeer warm en zonnig
Van twee bosvogels wisten de onderzoekers al dat ze hun broedtijd niet voldoende hebben aangepast aan het opwarmende klimaat. Koolmezen en bonte vliegenvangers broeden tegenwoordig te laat voor de rupsenpiek. De consequenties voor de aantallen van deze en van andere vogelsoorten waren echter slecht bekend. In Noord-Europa, waar het voorjaar nog nauwelijks is vervroegd, nemen de bosvogels niet af in aantal. Ook de standvogels van Nederlandse bossen laten de afname niet zien. Bovendien zien de biologen geen afname van de Afrika-trekkers die in onze moerassen broeden.

Het Constant Effort Site project
In het Constant Effort Site (CES) project worden op circa 45 plaatsen in Nederland gedurende het broedseizoen vogels gevangen en geringd. Het CES project wordt vrijwel volledig uitgevoerd door vrijwliggers en is opgezet om voor een groot aantal vogelsoorten demografische gegevens te verzamelen. Veranderingen in demografische processen zoals broedsucces en overleving zijn bepalend voor aantalsveranderingen die pas op langere termijn zichtbaar worden. De CES gegevens zijn al binnen enkele maanden na het broedseizoen beschikbaar en vormen dus een belangrijke early warning voor te verwachten ontwikkelingen in de Nederlandse vogelbevolking. In veel Europese landen en in Noord-Amerika wordt op dezelfde wijze de demografie van vogels gemeten. De gegevens worden ondermeer gebruikt om de gevolgen van klimaatverandering op de demografie van vogels te onderzoeken.

De foto toont een koolmees die één van zijn jongen voert en is gemaakt door Harvey van Diek. De Koolmees was één van de soorten die het in 2009 zeer goed deed.