Vogels die in het waddengebied broeden, zitten flink in de problemen. Dat blijkt uit een nieuwe studie waarbij alle beschikbare gegevens van de afgelopen twintig jaar over elkaar zijn gelegd. Het rapport wordt gepresenteerd bij het startsymposium van het Centre for Avian Population Studies op 6 november.

Het Vogeltrekstation (NIOO-KNAW) en Sovon Vogelonderzoek Nederland hebben data geanalyseerd over de populatieontwikkeling van 54 karakteristieke vogelsoorten van de Nederlandse Waddenzee.

Naast vogeltellingen zijn ook geboorte en sterfte van de vogels meegenomen. De enorme berg aan gegevens is bijeengebracht door professionele onderzoekers van verschillende instituten, en met de inzet van vele vrijwilligers.

Verontrustende vooruitzichten

Door een nieuwe onderzoeksmethode is het mogelijk om scherper in beeld te brengen hoe het met de vogelpopulaties gaat. Er kan zelfs in de toekomst worden gekeken. De vooruitzichten voor broedvogels zijn verontrustend, zegt de hoofdauteur van het rapport, Henk van der Jeugd van het Vogeltrekstation:

"Uit ons onderzoek komt duidelijk naar voren dat vooral soorten die de Waddenzee als broedgebied gebruiken vaak in aantal achteruit gaan. Aanvankelijk waren het vooral de soorten die afhankelijk zijn van de droogvallende wadplaten die achteruit gingen, maar recent komt achtuitgang bij alle soorten broedvogels voor."

De vijf sterkste dalers onder de broedvogels zijn blauwe kiekendief, kluut, velduil, strandplevier en scholekster. "En omdat we ook hebben gekeken naar de balans tussen geboorten en sterfte, weten we dat veel broedvogels voorlopig achteruit zullen blijven gaan."

Begrijpen en voorspellen

De Waddenzee is van groot internationaal belang. Jaarlijks doen miljoenen trekvogels het gebied aan. Maar ondanks de beschermde status daalden de natuurwaarden aanzienlijk in de afgelopen eeuw.

Om een beter begrip te krijgen van de bedreigingen voor vogels en om de juiste herstelmaatregelen te kunnen nemen, is er naast het tellen van vogelaantallen meer informatie nodig. Hoeveel vogels krijgen er jongen? Hoeveel gaan er jaarlijks dood? De antwoorden op dit soort demografische vragen geven inzicht in waarom de ene soort afneemt en de andere toeneemt.

Met zulke zogeheten 'geïntegreerde populatiemonitoring' kan ook een stukje in de toekomst worden gekeken. Zo laat dit onderzoek zien dat veel broedvogels dan alleen nog maar verder achteruit zullen gaan. Zelfs de groei van de nu zo succesvolle populatie lepelaars vlakt af.

Samen sterker

Dit soort kennis is nodig om de vogels in de toekomst effectiever te kunnen beschermen en eerder te kunnen ingrijpen. Geïntegreerde populatiemonitoring zou daarom eigenlijk aan meer soorten en internationaal voor de hele Waddenzee moeten gebeuren. Het Centre for Avian Population Studies wil hiervoor een stevige basis leggen, zegt Van der Jeugd.

"Dit complexe onderzoek vraagt om een nauwe samenwerking tussen veel verschillende partijen en maakt gebruik van diverse databanken. Daarom is het CAPS opgericht. Daarbij steunen we overigens niet alleen op professionele wetenschappers en onderzoekers. Minstens zo belangrijk zijn goed opgeleide vrijwilligers, zoals ringers en tellers."

Het CAPS is een samenwerkingsverband van het Vogeltrekstation, het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW), Sovon Vogelonderzoek Nederland, Radboud Universiteit Nijmegen en Vogelbescherming Nederland.
Het onderzoek van CAPS wordt gevoed door gegevens van meer dan 9000 betrokken vrijwilligers en zorgt voor de gedegen onderbouwing van natuurbeleid en -beheer.

Op 6 november wordt het CAPS officieel geopend in Nijmegen met een startsymposium. Daar wordt ook het rapport Geïntegreerde monitoring van vogels van de Waddenzee gelanceerd.

(Foto scholeksters: Tom Voortman)